direct naar inhoud van Artikel 3 Wonen
Plan: Heusden Behelp 10 2012
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0743.BP02012001-VS01

Artikel 3 Wonen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • één woning al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuin en erf;
  • het behoud van landschapselementen ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landschapselement bomenrij'.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

De woning dient binnen het bouwvlak te worden opgericht.

3.2.2 Maatvoeringseisen woning

De woning dient te voldoen aan de volgende maatvoeringseisen:

WONING   MINIMAAL   MAXIMAAL  
GOOTHOOGTE   n.v.t.   3,5 m  
(NOK)HOOGTE   n.v.t.   8 m  
INHOUD   Maximaal 1.000 m³  

3.2.3 Maatvoeringseisen vrijstaande bijgebouwen

Voor vrijstaande bijgebouwen gelden de volgende maatvoeringseisen:

VRIJSTAANDE BIJGEBOUWEN BIJ WONING   MINIMAAL   MAXIMAAL  
AFSTAND TOT DE PERCEELSGRENS   3 m   n.v.t.  
KORTSTE AFSTAND TOT DE AS VAN DE OPENBARE WEG   15 m   n.v.t  
GEZAMENLIJKE OPPERVLAKTE PER WONING   n.v.t.   80 m²  
GOOTHOOGTE   n.v.t.   3 m  
(NOK)HOOGTE   n.v.t.   5,5 m  
AFSTAND TOT DE VOORGEVEL (EN HET VERLENGDE DAARVAN) VAN WONING   5 m   n.v.t.  
AFSTAND BIJGEBOUWEN TOT WONING   1,5 m   25 m  

3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende maatvoeringseisen:

BOUWWERKEN GEEN GEBOUWEN ZIJNDE   MINIMAAL   MAXIMAAL  
AFSTAND TOT DE PERCEELSGRENS   3 m   n.v.t.  
KORTSTE AFSTAND TOT DE AS VAN DE OPENBARE WEG   15 m   n.v.t.  
HOOGTE ERFAFSCHEIDINGEN   Voor voorgevellijn: maximaal 1 m;
Overige: maximaal 2 m  
HOOGTE VAN CARPORTS C.Q. OVERKAPPINGEN   n.v.t.   3 m  
OPPERVLAKTE VAN CARPORTS C.Q. OVERKAPPINGEN   n.v.t.   20 m²  
HOOGTE OVERIGE BOUWWERKEN GEEN GEBOUW ZIJNDE   n.v.t.   6 m  

3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van de minimum afstand tot de weg/perceelsgrens

In deze situatie is sprake van een bouwvlak waarbinnen de woning in eerste instantie dient te worden opgericht. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken teneinde de bouw van het hoofdgebouw op een kortere afstand tot de as van de weg toe testaan en/of de voorgeschreven minimum afstand tot een perceelsgrens te verkleinen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de noodzaak vanuit een doelmatige perceelsinrichting en/of de uitbreiding van of aansluiting op aanwezige bebouwing met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering aanwezig is;
  • b. er vinden geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaats;
  • c. er blijft voldoende parkeerruimte op eigen erf aanwezig;
  • d. de wegbeheerder wordt gehoord;
  • e. de stedenbouwkundige structuur wordt niet onevenredig aangetast;
  • f. aangetoond wordt dat de externe veiligheid kan worden gewaarborgd;
  • g. de verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot onevenredige aantasting van de onder 3.1 omschreven doeleinden;
  • h. indien het een woning of ander geluidsgevoelig object betreft, wordt voldaan aan de Wet geluidhinder.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Aan huis verbonden beroep

De uitoefening van een aan huis verbonden beroep als bedoeld in artikel 3.1 is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 80 m²;
  • b. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van verkeer;
  • c. parkeren vindt op eigen terrein plaats;
  • d. detailhandel vindt alleen plaats ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep;
  • e. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving;
  • f. de activiteit wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner.

3.4.2 Verboden gebruik

Als met de bestemming strijdig gebruik geldt in ieder geval het gebruik van gronden en/of opstallen voor:

  • a. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- en verwerken van producten;
  • b. detailhandel anders dan omschreven in artikel 3.4.1 onder d;
  • c. verblijfsrecreatie;
  • d. seksinrichtingen;
  • e. gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.2 onder e en toestaan dat een bijgebouw bij een woning wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een degelijke bewoning noodzakelijk is uit een oogpunt van mantelzorg;
  • b. het gebruik als afhankelijke woonruimte vindt uitsluitend plaats in een deel van het hoofdgebouw, of in een vrijstaand dan wel aaneengebouwd bijgebouw;
  • c. de oppervlakte die wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, niet meer bedraagt dan de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 80 m²;
  • d. de verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot een onevenredige aantasting van de in artikel 3.1 omschreven doeleinden;

Het bevoegd gezag kan een verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte in trekken, indien niet (meer) wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden.

3.5.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.2 onder c teneinde als nevenactiviteit bij een woning, bed & breakfast voorzieningen en dergelijke toe te staan, mits:

  • a. bed & breakfast plaats vindt in de woning en de daarbij behorende bijgebouwen;
  • b. de gebruiksruimte voor bed & breakfast niet meer dan 80 m² bedraagt, met een maximum van 10 (eenpersoons)bedden;
  • c. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit is afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • d. op eigen terrein wordt voorzien in de parkeerbehoefte;
  • e. het gebruik niet leidt tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  • f. de verlening van de omgevingsvergunning niet leidt tot een onevenredige aantasting van de artikel 5.1. omschreven bestemmingsdoeleinden.

3.5.3 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een minicamping

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.2 onder c teneinde kleinschalig kamperen en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen toe te staan, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de afwijking kan uitsluitend worden verleend indien het gronden betreft, gelegen binnen het op de verbeelding als zodanig aangeduide 'recreatief ontwikkelingsgebied';
  • b. slechts kampeermiddelen zijn toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans);
  • c. er zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per minicamping toegestaan;
  • d. de reeds toegestane totale oppervlakte aan bijgebouwen van 80 m² mag ten behoeve van voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen worden vergroot tot maximaal 130 m², met dien verstande dat de oppervlakte van bouwwerken, ten behoeve van kleinschalig kamperen maximaal 50 m² mag bedragen en de goot- en nokhoogte respectievelijk 3 meter en maximaal 5,5 meter mag bedragen;
  • e. de voorzieningen worden, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing, of anders aansluitend aan de bestaande bebouwing;
  • f. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; daartoe dient een erfbeplantingsplan te worden overlegd;
  • g. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • h. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  • i. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven;
  • j. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden.