direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch
Plan: Asten bedrijventerreinen 2013
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0743.BP02013001-VS01

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van het grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat een glastuinbouwbedrijf, intensieve veehouderij of paardenhouderij niet is toegestaan;
  • b. een grondgebonden agrarisch bedrijf uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak;
  • c. maximaal 1 bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak;
  • d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;
  • g. extensief recreatief medegebruik;
  • h. inpandige statische opslag als nevenactiviteit, tot een maximale vloeroppervlakte van 400 m².

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 19.2.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Op of in de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde doeleinden, uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak;
  • b. maximaal één bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak;
  • c. bijgebouwen, uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2.2 Regels ter plaatse van het bouwvlak
  • a. Gebouwen dienen in het bouwvlak te worden gebouwd.
  • b. De goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, mag niet meer bedragen dan 5,5 meter.
  • c. De bouwhoogte van gebouwen, geen woning zijnde, mag niet meer bedragen dan 8,00 meter.
  • d. De goothoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 3,25 meter bedragen.
  • e. De bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 5,50 meter bedragen.

3.2.3 Bedrijfswoningen
  • a. De inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m³ (inclusief aangebouwde bijgebouwen).
  • b. De goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 5,50 meter bedragen.
  • c. De bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 10,00 meter bedragen.
  • d. De gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning mag niet meer dan 80 m² bedragen.
  • e. De afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer dan 15 meter bedragen.

3.2.4 Overige regels met betrekking tot bebouwing
  • a. Op de gronden gelegen buiten het bouwvlak mogen geen teeltondersteunende voorzieningen, zoals containervelden, ondersteunend glas, boogkassen, hagelschermen en regenkappen worden gebouwd.
  • b. Binnen het bestemmingsvlak mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3,25 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de hoogte:
    • 1. voor de naar de weg gekeerde bouwgrens en/of de bijgebouwgrens niet meer dan 1,00 meter;
    • 2. en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens en/of bijgebouwgrens niet meer dan 2,00 meter mag bedragen.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen conform het bepaalde in artikel 14.3.

3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Hoogte erfafscheiding

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.4 teneinde voor erf- en perceelsafscheidingen buiten het agrarisch bouwblok een grotere hoogte toe te staan tot maximaal 3 meter, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • c. de grotere hoogte is noodzakelijk om dieren binnen de wei te houden;
  • d. de erf- en perceelsafscheidingen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van afrasteringen;
  • e. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast;
  • f. de afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden.

3.4.2 Maatvoering gebouwen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 teneinde voor de bedrijfsgebouwen een hogere goot- en nokhoogte toe te kunnen staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. aangetoond kan worden dat een grotere hoogte noodzakelijk is ten behoeve van een doelmatige bedrijfsvoering; hiertoe kan nader advies ingewonnen worden bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
  • b. de goot en nokhoogte van bedrijfsgebouwen, mag niet meer bedragen dan resp. 6,5 meter en 12 meter;
  • c. de goot en nokhoogte van kassen mag niet meer bedragen dan resp. 8 meter en 12 meter;
  • d. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast;
  • e. de afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden.

3.5 Specifieke gebruiksregels

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik:

  • a. voor een glastuinbouwbedrijf, intensieve veehouderij of paardenhouderij;
  • b. het gebruik van meer dan één bouwlaag voor het houden van dieren tenzij dit gebouwd en gebruikt mag worden krachtens een verleende wettelijke vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan op het moment van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan of tenzij er sprake is van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.
  • c. van gronden en/of opstallen voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik en plaatsvindt op het agrarisch bouwblok;
  • d. van gronden en/of opstallen voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan,verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het agrarisch bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf;
  • e. voor ambachtelijke en/of industriële doeleinden;
  • f. voor detailhandel, anders dan ondergeschikt en voortvloeiend uit het toegestane gebruik;
  • g. voor groothandel;
  • h. voor dienstverlening;
  • i. voor horeca;
  • j. voor verblijfsrecreatie;
  • k. voor woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoning;
  • l. van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • m. als verkooppunt voor motorbrandstoffen of andere explosiegevaarlijke stoffen;
  • n. voor industriële doeleinden;
  • o. als seksinrichting of escortbedrijf;
  • p. van gronden voor buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten;
  • q. voor open opslag die valt onder de Wet milieubeheer, anders dan in verband met het toegestane gebruik.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Agrarisch verwant bedrijf / agrarisch technisch hulpbedrijf als nevenactiviteit technisch hulpbedrijf als nevenactiviteit

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en 3.5 teneinde een vorm van agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
  • b. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 250 m²;
  • c. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, exclusief inpandige statische opslag, mag maximaal 500 m² bedragen;
  • d. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende (agrarische) bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  • e. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
  • f. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • g. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  • h. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast;
  • i. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden.

3.6.2 Agrarisch verwant bedrijf / agrarisch technisch hulpbedrijf

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en 3.5 teneinde een vorm van agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. aangetoond dient te worden dat agrarisch hergebruik voor de desbetreffende locatie niet aannemelijk is;
  • b. het hergebruik dient te passen in de omgeving;
  • c. in opzet en ontwikkelingsperspectief dient het om een kleinschalige activiteit te gaan, met in beginsel slechts enkele werknemers;
  • d. als belangrijke voorwaarde voor hergebruik geldt dat het hergebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume; uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan;
  • e. in een bedrijfsplan dient te worden aangetoond welke bedrijfsgebouwen noodzakelijk zijn voor de hergebruikfunctie;
  • f. overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, die niet voor de nieuwe functie wordt gebruikt, dient te worden gesloopt, tenzij de gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben;
  • g. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden;
  • h. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende (agrarische) bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  • i. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • j. detailhandel is niet toegestaan;
  • k. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden

3.6.3 Zorgverlenende nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en 3.5 teneinde – bedrijfsmatige - nevenactiviteiten in de vorm van zorgverlening op sociaal, fysiek of psychisch vlak toe te staan bij een agrarisch bedrijf, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
  • b. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 250 m²;
  • c. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, exclusief inpandige statische opslag, mag maximaal 500 m² bedragen;
  • d. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  • e. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
  • f. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • g. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  • h. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast;
  • i. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden.

3.6.4 Bed & Breakfast

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en 3.5 teneinde voorzieningen ten behoeve van bed & breakfast als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. bed & breakfast vindt plaats in de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen;
  • b. de gebruiksruimte voor bed & breakfast bedraagt niet meer dan 80 m², met een maximum van 10 (éénpersoons)bedden per agrarisch bedrijf;
  • c. indien en voorzover er sprake is van cultuurhistorische waarden, mogen deze cultuurhistorische waarden door toepassing van de afwijking niet onevenredig worden aangetast;
  • d. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • e. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  • f. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  • g. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden.

3.6.5 Inpandige statische opslag

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en 3.5 teneinde een grotere vloeroppervlakte ten behoeve van inpandige statische opslag toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
  • b. de opslag mag niet plaatsvinden in kassen;
  • c. de vloeroppervlakte van de bebouwing, die wordt aangewend voor de nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 1.000 m²;
  • d. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
  • e. de milieubelasting mag niet toenemen;
  • f. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • g. het gebruik mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  • h. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  • i. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast;
  • j. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden.

3.6.6 Afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en 3.5 en toestaan dat een bijgebouw bij een woning wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
  • b. het gebruik als afhankelijke woonruimte uitsluitend plaatsvindt in een deel van het hoofdgebouw, of in een vrijstaand dan wel een aangebouwd bijgebouw;
  • c. de oppervlakte die wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, niet meer bedraagt dan de maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 80 m²;
  • d. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden;

Burgemeester en wethouders trekken een verleende vergunning voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte in, indien niet (meer) wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1 Wijziging 'Agrarisch' naar 'Wonen'

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' voor zover gelegen binnen het bouwvlak, wijzigen in de bestemming 'Wonen', waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning kan worden toegestaan, een en ander mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. aangetoond dient te worden dat agrarisch hergebruik voor de desbetreffende locatie niet aannemelijk is;
  • b. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot;
  • c. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast;
  • d. woningsplitsing is niet toegestaan;
  • e. de bestaande situering van de bebouwing mag niet worden gewijzigd;
  • f. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende (agrarische) bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  • g. de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 80 m² per woning;
  • h. in afwijking van het bepaalde onder g. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, een gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen bij een woning worden toegestaan van meer dan 80 m²; maximaal 25% van het gesloopte oppervlak aan legaal opgerichte bebouwing mag als bijgebouw worden teruggebouwd, tot een totaal aan vrijstaande bijgebouwen van maximaal 200 m²;
  • i. de extra oppervlakte aan bijgebouwen zoals hiervoor genoemd, mag ook worden gevormd door bestaande bijgebouwen, in plaats van herbouw na sloop, mits de overtollige oppervlakte aan bijgebouwen wordt gesloopt;
  • j. sloop van cultuurhistorisch waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan;
  • k. in afwijking van het bepaalde onder b kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, de inhoud van de woning tot maximaal 900 m³ worden vergroot, per 50 m³ vergroting van de woning dient telkens minimaal 500 m² aan legaal opgerichte bebouwing te worden gesloopt;
  • l. het surplus (alle aanwezige bebouwing boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 80 m²) moet in één keer worden gesloopt en deze sloop moet als voorwaarde aan de omgevingsvergunning worden verbonden;
  • m. er kan geen toepassing worden gegeven aan de sloopregeling als opgenomen onder h t/m l indien:
    • 1. op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden,
    • 2. sloop kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voorruimteregeling,
    • 3. sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken,
    • 4. of de sloop al op andere wijze is verzekerd;
  • n. de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen.
  • o. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
  • p. de nieuwe woning is niet gelegen binnen een geurhindercontour van één of meer agrarische bedrijven;
  • q. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder;
  • r. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden;
  • s. er wordt op de verbeelding, door middel van het aangeven van een bestemmingsvlak op maat, de bestemming wonen aan de gronden toegekend, waarbij de regels van Artikel 9 Wonen grotendeels van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

3.7.2 Wijziging t.b.v. omschakeling naar paardenhouderij

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch', voor zover gelegen binnen het bouwvlak, op onderdelen wijzigen teneinde omschakeling toe te staan van een agrarische bedrijfsvorm, niet zijnde een paardenhouderij, naar een paardenhouderij, door middel van het aanduiden van het desbetreffende agrarische bouwblok met de aanduiding 'paardenhouderij', mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de omvang van het bouwblok mag niet meer bedragen dan 1,5 ha;
  • b. paardenbakken mogen uitsluitend binnen het bouwblok worden opgericht;
  • c. de bebouwde oppervlakte van rijhallen ten dienste van paardenhouderijen mag maximaal 1.000 m² bedragen;
  • d. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; daartoe dient een erfbeplantingsplan te worden overlegd;
  • e. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  • f. bebouwing die niet noodzakelijk is voor de nieuwe bestemming (overtollige bebouwing) dient te worden gesloopt, tenzij het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is;
  • g. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de van de in 3.1 omschreven doeleinden.

3.7.3 Wijziging 'Agrarisch' naar 'Bedrijf'

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' voor zover gelegen binnen het bouwvlak, wijzigen in de bestemming 'Bedrijf', teneinde gebruik van de aanwezige bebouwing toe te staan voor niet-agrarische bedrijven, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. aangetoond dient te worden dat agrarisch hergebruik voor de desbetreffende locatie niet aannemelijk is;
  • b. het hergebruik dient te passen in de omgeving;
  • c. in opzet en ontwikkelingsperspectief dient het om een kleinschalige activiteit te gaan, met in beginsel slechts enkele werknemers;
  • d. de omzetting is slechts toegestaan naar bedrijven zoals opgenomen in maximaal de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels als bijlage gevoegde lijst van bedrijfsactiviteiten of daarmee vergelijkbare bedrijven;
  • e. verzekerd dient te zijn dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • f. de beoogde ontwikkeling mag niet leiden tot twee of meer zelfstandige bedrijven;
  • g. de beoogde ontwikkeling mag niet leiden tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;
  • h. de beoogde ontwikkeling mag niet leiden tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m².