1.1 plan:
het wijzigingsplan 'Heusden komgebied, wijziging Antoniusstraat ong.' met identificatienummer
NL.IMRO.0743.BPW2020003-OW01 van de gemeente Asten.
1.2 wijzigingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende
bijlagen.
1.3 verbeelding:
de kaart met bijbehorende verklaring, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen
gronden zijn aangewezen.
1.4 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.5 aan- en uitbouw:
gedeelte van een gebouw dat tegen het hoofdgebouw is gebouwd en daar duidelijk ondergeschikt
aan is;
ter verduidelijking:een aanbouw is een toevoeging van een afzonderlijke ruimte, terwijl een uitbouw
een vergroting is van een bestaande ruimte.
1.6 aan huis gebonden bedrijf:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, waarvan
de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit ter plaatse, in de woning en/of de
daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend en de desbetreffende bedrijvigheid een
ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. Onder een aan huis
gebonden bedrijf worden hier eveneens begrepen consument verzorgende activiteiten (in Bijlage 2
is een overzicht van aan huis gebonden bedrijven opgenomen).
aan huis gebonden beroep:
1.7 aan huis gebonden beroep:
een dienstverlenend beroep op artistiek of academisch/HBO niveau, dat op kleine schaal in een
woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in
overwegende mate haar functie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke
uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. Hieronder wordt verstaan het
beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch,
therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of daarmee gelijk te stellen gebied (in is een
overzicht van aan huis gebonden beroepen opgenomen).
1.8 agrarisch gebruik:
het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van
dieren.
1.9 ambacht(elijk):
het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of
herstellen en het installeren van goederen, alsook het als ondergeschikte activiteit verkopen en/of
leveren van goederen die verband houden met het ambacht.
1.10 ambachtelijk bedrijf:
het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, ver-/bewerken,
herstellen of installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte
activiteit, van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, ver- of bewerkt, waarbij de omvang van
de activiteit zodanig is, dat als deze in een woning en daarbij behorende bijgebouwen worden
uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.
1.11 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied
voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden.
1.12 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.13 bebouwingspercentage:
een in de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat het deel van het
bestemmingsvlak dan wel van een bouwvlak aangeeft dat ten hoogste mag worden bebouwd.
1.14 bedrijf:
een vorm van een organisatie van mensen en middelen met als doel het vervaardigen, bewerken,
herstellen of installeren van producten of het verlenen van diensten aan andere organisaties of
particulieren, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de regels: 'toegesneden lijst van bedrijfstypen',
conform de bijlage uit de brochure Bedrijven en milieuzonering of bedrijven die qua aard en
milieueffecten vergelijkbaar zijn.
1.15 bedrijfsactiviteiten:
activiteiten zoals opgenomen in Bijlage 1. bij de regels: 'toegesneden lijst van bedrijfstypen',
conform de bijlage uit de brochure Bedrijven en milieuzonering of bedrijven die qua aard en
milieueffecten vergelijkbaar zijn.
1.16 begane grond:
de eerste bouwlaag boven het peil.
1.17 bestaand gebruik:
het gebruik van grond en opstallen, zoals dat bestond op het tijdstip dat het plan of betreffende
planonderdeel rechtskracht heeft gekregen.
1.18 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
1.19 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.20 bevoegd gezag:
bevoegd gezag als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.21 bijgebouw (aangebouwd of vrijstaand):
aan- en uitbouw dan wel vrijstaand gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een
op het zelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
1.22 bijgebouwgrens:
de grens van de aanduiding 'bijgebouwen'.
1.23 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van
een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een standplaats.
1.24 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
1.25 bouwlaag (voor woningen):
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte
liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grondlaag en met
uitsluiting van onderbouw/kelder en zolder.
ter verduidelijking:
bij de bepaling van één bouwlaag gelden de bepalingen zoals die zijn opgenomen in het
bouwbesluit en de bouwverordening.
1.26 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar horende
bebouwing is toegelaten.
1.27 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel.
1.28 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels
bepaalde gebouwen respectievelijk bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn
toegelaten.
1.29 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct
hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.30 brandgang:
een ontsluiting van woningen c.q. huizenblokken ten behoeve van de bereikbaarheid van het
achtererf en de daar gelegen bijgebouwen (erfdienstbaarheid), alsmede bedoeld voor het
waarborgen van de veiligheid bij calamiteiten.
1.31 carport/overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde met tenminste een dak en niet of slechts aan één zijde
voorzien van een wand, bestaande wanden van overige gebouwen niet meegerekend.
1.32 coffeeshop:
een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren worden
verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor gebruik ter plaatse of
gebruik elders.
1.33 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop/huur aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop/verhuur,
het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen/huren
voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit.
ter verduidelijking:
dienstverlening door een horeca- en een prostitutiebedrijf wordt hieronder niet begrepen.
1.34 dienstverlening:
het verrichten van diensten in een vorm die voor wat betreft ruimtelijke uitstraling vergelijkbaar is
met detailhandel en waarbij een rechtstreekse relatie bestaat met het publiek zoals reisbureaus,
bankinstellingen, postkantoren, verzekerings- en/of administratiekantoren, makelaarskantoren,
advocaten- en/of notariskantoren, uitzendbureaus, apotheken,praktijkvestigingen voor
tandtechniek, kapsalons, schoonheidssalons, nagelstudio's, schoenmakerijen, kleermakerijen en
video-/dvd-verhuurbedrijven, fotostudio's en hondentrimsalons.
ter verduidelijking:
bij de toetsing van deze regels wordt als volgt geoordeeld:
dienstverlening dient te passen in een woonwijk (geen baliefunctie) en naar de omgeving gezien
ondergeschikt aan de woonfunctie te zijn.
1.35 erf:
al dan niet bebouwd bouwperceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een
hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en,
voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting
niet verbieden;
achtererfgebied:
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan
1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw;
voorerfgebied:
erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.
1.36 erker:
kleine toevoeging van één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond, meestal
uitgevoerd in metselwerk, hout en glas.
1.37 escortbedrijf:
een natuurlijk persoon, groep van personen, en/of rechtspersoon die prostitutie aanbiedt, die
uitgeoefend wordt op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte of woning.
1.38 evenement:
een activiteit in de openlucht, dan wel in al dan niet tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het
bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, culturele en/of
levensbeschouwelijke doeleinden.
1.39 extensieve recreatie:
vormen van recreatief medegebruik gericht op landschapsbeleving, die plaatsvinden in gebieden
met weinig of geen recreatieve voorzieningen en waarbij per oppervlakte-eenheid weinig mensen
aanwezig zijn.
1.40 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt.
1.41 hellingbaan:
een beloopbare en/of berijdbare helling om een hoogteverschil te overbruggen.
1.42 hoofdgebouw:
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of
toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn,
gelet op die bestemming het belangrijkst is;
ter verduidelijking:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen als belangrijkste
gebouw valt aan te merken.
1.43 horeca:
het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies.
1.44 huishouden:
één of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren, waarbij sprake is van
continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.
1.45 kantoor:
een ruimte, of bij elkaar horende ruimten, bedoeld om voornamelijk te worden gebruikt voor
administratieve werkzaamheden.
ter verduidelijking:
kantoren kunnen worden onderscheiden in kantoren met en zonder een baliefunctie.
1.46 mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke en/of psychische vlak, op
basis van vrijwilligheid en buiten organisatorisch verband.
ter verduidelijking:
mantelzorg is het zorgen voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner,
ouder, kind, of ander familielid. Mantelzorg is geen professionele zorgverlening maar het geven
van zorg aan iemand met wie een persoonlijke band aanwezig is. Het betreft niet de alledaagse
zorg, voor bijvoorbeeld de zorg van een gezond kind. Mantelzorg is vaak langdurig en intensief,
doch onbetaald.
1.47 ondergronds bouwen:
het beneden de aardoppervlakte, onder peil, realiseren van een bouwwerk.
1.48 oprit:
gedeelte van een bouwperceel bedoeld voor het parkeren of stallen van een voertuig, of voor het
bereiken van de bij het huis behorende garage. Een oprit is altijd direct bereikbaar vanaf de
openbare weg. Onder oprit wordt niet verstaan de voortuin c.q. het voorerf.
1.49 openbare nutsvoorziening:
een bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de
telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje en een verdeelstation.
1.50 overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van
een (bestaande) wand.
1.51 peil:
- voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
- voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
ter verduidelijking:
bij de realisatie van een gebouw is het peil door de gemeente uitgezet waarbij uitgegaan is van een
afschot van 1,5 cm per meter gemeten vanaf de weg tot de hoofdtoegang (richtlijn).
1.52 seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij
bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischepornografische
aard plaatsvinden.
onder seksinrichtingen worden in ieder geval verstaan: een (raam-)prostitutiebedrijf, een seksclub,
een privé-huis, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een
sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.53 stedenbouwkundig beeld:
ruimtelijke verschijningsvorm van de bestaande bebouwing, die wordt bepaald door de situering,
de aansluitende terreinen, de bouwmassa's, de gevelindeling en de dakvormen.
1.54 verblijfsgebied:
gedeelte van één of meer bouwwerken op een bouwperceel met dezelfde bestemming, met ten
minste één verblijfsruimte, bestaande uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen aan elkaar
grenzende ruimten anders dan een toilet-, bad-, technische of verkeersruimte.
1.55 verblijfsruimte:
ruimte voor het verblijven van mensen.
1.56 voorgevel:
de gevel die grenst aan de straat met het adres en huisnummer van de woning.
1.57 voorgevelrooilijn:
de bouw- en bijgebouwgrens, die behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de
wegzijde of de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden.
1.58 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging,
hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen,
inlaten etc.
1.59 weg:
een voor het rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen
bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg
liggende en als zodanig aangeduide parkeergelegenheden.
1.60 wonen of woondoeleinden:
het gebruik van een woning conform de begrupsomschrijving van 'woning of wooneenheid', met als
doel daar permanent te verblijven.
1.61 woning of wooneenheid:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
1.62 zolder:
ruimte(n) in een gebouw die geheel is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel
opzicht deel uitmaakt van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen.